De huidige aanpak van problematische jeugdgroepen in de gemeente is succesvol. Burgemeester Roelien Kamminga (VVD) geeft aan dat door interventie groepen uiteenvallen. Extra middelen zijn op dit moment niet nodig, wel zijn er de nodige uitdagingen op het gebied van het ontstaan van nieuwe jeugdgroepen en het zicht op de online leefwereld van jongeren.
In maart informeerde het college de raad uitgebreid over de situatie. Daaruit blijkt dat de aanpak in Groningen gestoeld is op het landelijke 7-stappenmodel, een blauwdruk die al sinds 2017 wordt gehanteerd. De cijfers laten zien dat er op dit moment drie groepen zeer actief zijn. In de binnenstad gaat het om een groep van ongeveer vijftien jongeren in de leeftijd van 13 tot 23 jaar. Binnen deze groep gaat het deels om voormalige alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) die betrokken zijn bij vechtpartijen, berovingen, diefstallen, bedreigingen en mogelijk wapenbezit. Deze groep stelt de gemeente voor nieuwe uitdagingen, omdat er sprake is van bovenregionale verbindingen met kernen als Drachten en Gilze-Rijen.
In Groningen-West is een groep van ongeveer vijftien jongeren actief, die iets jonger zijn: in de leeftijd van 9 tot 21 jaar. Zij veroorzaken overlast met zwaar vuurwerk, kleine brandstichtingen en vernielingen. Opvallend is het gebruik van fatbikes, waarmee zij in een kat-en-muisspel belanden met de politie. In Groningen-Oost is een groep van acht jongeren tussen de 11 en 16 jaar actief die overlast veroorzaakt rond winkelcentra met vuurwerk, bedreigingen, gevaarlijk rijgedrag en ernstige dierenmishandeling. Binnen deze groep is een harde kern die vaker betrokken is bij incidenten en door de driehoek wordt aangemerkt als ‘low level’, maar met een groot risico op doorgroei.
Effectiviteit
Voor de fracties van Stadspartij 100% voor Groningen, Partij voor het Noorden en de PVV was de brief aanleiding om het onderwerp te agenderen voor een meningsvormende sessie. De kernvraag: is de huidige aanpak werkelijk effectief of is er sprake van tijdelijke symptoombestrijding?
Burgemeester Kamminga vertelt dat de aanpak zijn vruchten afwerpt: “Dit is een onderwerp dat ons allemaal aangaat. Ondertussen is het niet voor niets dat we hier een aanpak hebben waar we trots op zijn en die door andere gemeenten gevolgd wordt. We boeken namelijk successen. Alle groepen waar we de afgelopen jaren naar gekeken hebben, die zijn uit elkaar gevallen.” Ze wees daarbij op de succesfactoren uit de brief: de korte lijnen in de lokale driehoek en het grote onderlinge vertrouwen tussen ketenpartners en de rollen tussen hulpverlening en handhaving.
Kamminga vertelt dat gekeken wordt welke interventie bij welke jeugdgroep past, waarbij het volledige arsenaal wordt ingezet: “Soms gaat het om jeugdzorg, soms om reclassering en als het niet anders kan, dan passen we strafrecht toe. We zetten in op onderwijs, maar we kijken ook naar de ouders. Bij groepsaanpak staan we soms letterlijk voor de deur van een jongere. De aanpak is effectief, maar we zien ook nieuwe jongeren opgroeien die in een positie kunnen komen om in zo’n groep te stappen. Daarom is het belangrijk om blijvend te investeren in de voedingsbodem die dit veroorzaakt. Om bijvoorbeeld in te zetten op armoede en schulden, onderdelen die juist bijdragen aan dit type gedrag waarbij jongeren gevoelig zijn. Lukt dat altijd? Nee. Maar we weten wel de groepen uiteen te halen.”
Doorlooptijd en methodiek
De doorlooptijd van de aanpak bedraagt gemiddeld achttien maanden. “Vanaf de allereerste dag beginnen we met interventie. Vaak is de interventie al begonnen voordat de groepsaanpak officieel start. Het is een doorlopend traject, waarbij we meerdere instrumenten kunnen inzetten.” De burgemeester vertelt dat er daarbij ook gekeken wordt naar andere gemeenten. “In Rotterdam hebben we bijvoorbeeld de ‘interventie-intensieve jongerencoach’.’ Dat werkt daar heel goed. Dat hebben wij dan ook overgenomen.” Ze benadrukte dat veel werk achter de schermen gebeurt, zoals de tijdrovende huisbezoeken bij grote groepen, wat voor de burger niet altijd direct zichtbaar is.
De afgelopen maanden hebben diverse incidenten de media gehaald, van overlast op kermissen tot bedreigingen en vernedering van scholieren in Haren. De zorgen onder de politici zijn dan ook groot, hoewel er ook waardering is voor de aanpak. Izaäk van Jaarsveld van het CDA: “Ik doe verwoede pogingen om jong te blijven en één van mijn methoden daarvoor is om actief te zijn op TikTok. Enkele dagen geleden kwam ik een filmpje tegen van een straatcoach hier in de gemeente die met duizenden likes en volgers ontzettend populair is op dit platform. Deze straatcoaches doen geweldig werk, net als andere betrokkenen.”
Van Jaarsveld uitte echter ook zijn zorgen over de specifieke groep in het centrum: “Ondertussen zien we in de binnenstad een groep alleenstaande minderjarige vluchtelingen die onvoldoende wederkerigheid toont. Terwijl zij in tijden van nood worden opgevangen, veroorzaken zij overlast. Dit tast het draagvlak in de samenleving om mensen op te vangen aan. Onze jongeren lijken kwetsbaar, waarbij ze gevoelig zijn voor aantrekking tot gewelddadige groepen en de georganiseerde misdaad. Daarbij hebben we onvoldoende zicht op de online wereld. Daar maken wij ons zorgen over. Ook hebben we zorgen over de leeftijden: kinderen van 9 jaar die met zwaar vuurwerk gooien, brand stichten en zich bezighouden met bedreiging en mishandeling. We moeten hier volop mee bezig blijven.”
Ideologische kloof
Over de juiste aanpak lopen de meningen in de raad uiteen. De VVD stelt een gecombineerde route voor. Rik Heiner: “De aanpak is ingewikkeld. Nieuwe groepen ontstaan, en dat zie je niet zomaar als je door een wijk of straat fietst. Daarom zijn we blij met het extra toegekende geldbedrag van de overheid (Preventie met Gezag, red.) dat we goed in kunnen zetten voor straatcoaches. De aanpak moet een combinatie zijn van preventie en repressie. Vaak links-politiek gekleurde partijen richten zich op preventie. Partijen die rechts van de VVD staan, kiezen voor repressie. Wij willen beide. We willen dat alles op alles wordt gezet om deze groepen te ontmantelen. Dan gaat het ook om volledige cameradekking, het in kunnen stellen van een veiligheidsrisicogebied en het inzetten van jeugd-boa’s.”
Alina Kiers (SP) legde de nadruk op de sociaaleconomische oorzaken: “Overlast, lawaai maken, bewoners lastigvallen, mensen bedreigen. Het gaat om jongeren die moeilijk aan te spreken zijn omdat ze veilig in een groep zitten. Ondertussen zien we dat het gemeentelijke plan, dat uit zeven stappen bestaat, werkt. Maar als we het hebben over de oorsprong: dat ligt aan de omstandigheden waar kinderen in opgroeien. Er valt veel te halen bij het bestrijden van de armoede. We hebben het over jongeren van wie de ouders twee of drie banen hebben om rond te kunnen komen. Er is in deze gezinnen geen ruimte om wat leuks met de kinderen te doen. Daardoor lopen zij een risico. Ik geef zelf les op een middelbare school: ik zie kinderen tussen de wal en het schip vallen. Ik zie ouders die geen tijd hebben, die moeilijk te bereiken zijn. Uiteraard zijn er meerdere oorzaken, waarbij wel alles terug te voeren is op de verschillen die groter worden in de samenleving veroorzaakt door het kapitalistische systeem.”
Jahir Scoop van PRO sloot zich hierbij aan: “Geweld is een uitingsvorm. De problemen die dit gedrag veroorzaken zijn armoede, verslaving en schulden. We moeten onderkennen dat in de basis bepaalde groepen een sociale achterstand hebben. De vraag is of zwaar straffen de oplossing is. Enerzijds kan het afschrikken. Aan de andere kant duw je daarmee deze jongeren verder van de samenleving af.” Op de vraag van het CDA of jongeren in de binnenstad, deels AMV’ers, geen status zouden moeten krijgen bij ernstige overlast, antwoordde Scoop: “Dat vind ik een lastige vraag. Je weet niet hoe dat uitmondt. Je wilt de mensen de juiste kant op gaan bewegen.”
Lik-op-stuk versus preventie
De PVV pleit onomwonden voor een hardere lijn. Kelly Blauw: “Tijdens de verkiezingscampagne hebben we met veel inwoners gesproken. Veel mensen voelen zich onveilig. Bezoekers van het winkelgebied die geteisterd worden door intimidatie en agenten die in een kat-en-muisspel belanden. Het zijn geen incidenten, maar het is een structureel probleem. Het college is positief over de huidige aanpak. Tegelijkertijd zien we dat het een terugkerend vraagstuk is waarbij er constant nieuwe groepen ontstaan. Wij twijfelen daarom over de effectiviteit.” Toen Heiner (VVD) opwierp dat groepen wel degelijk verdwijnen, reageerde Blauw: “Deels. Maar nieuwe groepen poppen net zo snel weer op. Wij vinden dat jongeren de consequenties moeten ervaren; ze moeten het voelen. Een afschrikbeleid helpt veel meer. Wij pleiten voor een lik-op-stukbeleid: niet praten maar direct aanpakken.”
Stadspartij 100% voor Groningen kondigde bij monde van Yaneth Menger concrete actie aan: “Er wordt gezegd dat groepen uiteenvallen en niet opnieuw elders beginnen. Maar is dat ook echt zo? Wij willen binnenkort met een initiatiefvoorstel komen waarbij we jeugdwerkers en straatcoaches meer mogelijkheden willen geven. Dat er vanuit Nij Begun gelden beschikbaar worden gesteld die we kunnen inzetten voor de jeugd. Met het geld kunnen we investeren in mensen die de taal van de straat spreken.”
Linda Wijnalda-Dussel (Partij voor de Dieren) maande tot voorzichtigheid: “Op dit moment wordt er onderzoek gedaan naar jeugdcriminaliteit door de Hanzehogeschool. Het is een complex onderwerp, waarbij het belangrijk is dat we niet op onderbuikgevoelens afgaan.” Dit schoot Menger in het verkeerde keelgat: “Afgelopen jaar hebben we meerdere keren te maken gehad met groepen jongeren die anderen naar het leven stonden. Het zijn geen onderbuikgevoelens waar we het hier over hebben.” Wijnalda-Dussel: “De aanpak is ook belangrijk. Maar we hebben het over verschillende problematieken die hieraan ten grondslag liggen. Ik zie en ik hoor de problemen ook, en dat vind ik zorgelijk. Maar op basis van dit onderzoek hadden we gerichter in gesprek gekund over de oorzaken, wat er aan ten grondslag ligt en hoe we zaken aan kunnen pakken.”
Toekomstvisie
Burgemeester Kamminga sloot het debat af door de blik vooruit te werpen. Ze benadrukte twee grote uitdagingen uit de collegebrief. Ten eerste de toename van jongeren met een licht verstandelijke beperking in de groepen: “Deze jongeren zijn kwetsbaar en beïnvloedbaar voor ondermijnende criminaliteit. We gaan professionals trainen om dit sneller te herkennen.” Ten tweede de digitale wereld: “Ondanks dat het online snel en vluchtig gaat, zitten we niet stil. We moeten meer grip krijgen op de online leefwereld van risicojongeren.”
Kamminga concludeerde dat er brede steun is voor de basismethodiek, maar dat het een kwestie van lange adem blijft: “We hebben het hier over problematische jeugdgroepen, niet over jongeren die af en toe vervelend zijn. Dit zijn groepen waarbij, als je nu niet ingrijpt, het verkeerd gaat. Onze inzet is erop gericht om te voorkomen dat nieuwe jongeren in deze situatie komen. De uitdagingen zijn groot, en vaak vergt het maatwerk.”
Voor zover bekend zijn er voor het onderwerp geen moties aangekondigd voor de eerstvolgende raadsvergadering.