Tijdens de herdenkingen op 4 mei zullen scoutingverenigingen weer op diverse plekken te zien zijn bij kransleggingen waarmee zij een belangrijke rol vervullen. En dat is niet zonder reden. De maatregelen die de bezetter tijdens de oorlogsjaren nam maakten het veel scoutingverenigingen moeilijk. In Groningen konden door een list de activiteiten van De Zwervers toch doorgaan.
“Ik heb de Tweede Wereldoorlog zelf niet meegemaakt”, vertelt Herman Bezema. “Ik ben geboren in de jaren na de oorlog. Op 7-jarige leeftijd werd ik actief bij De Zwervers in de stad en heb daar zo ongeveer alle mogelijke functies bekleed, tot voorzitter aan toe. In de jaren negentig ben ik samen met een commissie bezig geweest om in het kader van een jubileum een boek te schrijven. We hebben toen heel wat interviews gehouden met oud-leden. Het boek is er vanwege tijdsgebrek nooit gekomen, maar de aantekeningen zijn er nog wel. Sterker nog: de interviews zijn ook allemaal ruw uitgewerkt. Het is alleen nooit netjes gemaakt. Maar daardoor hebben we wel een goed beeld van hoe die oorlogsjaren verlopen zijn.”
Ontstaan uit een fietsclub
Bezema vertelt dat de scoutingvereniging in 1935 is ontstaan. “We zijn voortgekomen uit een fietsclub. Gruno’s Garde was een christelijke jeugdvereniging waarbij clubs en afdelingen zich konden aansluiten. Zo waren er een jeugdkoor, een mondaccordeonclub en dus ook een fietsclub. Deze club fietste regelmatig naar Appèlbergen of Scharlakenhof om daar te pionieren, knopen te leggen en EHBO te oefenen. In 1935 ontstond de vraag om een padvindersclub te vormen, die De Zwervers werd. In die jaren was het overigens echt een aangelegenheid voor jongens.”
De Tweede Wereldoorlog veranderde dat. In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. Scoutingverenigingen en jeugdbewegingen hielden aanvankelijk hun adem in. Het was namelijk bekend dat na de machtsovername in Duitsland door de nazi’s alle scoutingorganisaties werden verboden. Jeugd werd gedwongen om deel uit te gaan maken van de Hitlerjugend voor jongens en de Bund Deutscher Mädel voor meisjes. Na de Duitse inval in Oostenrijk werden in het Alpenland scoutingorganisaties verboden, wat ook in Tsjechoslowakije gebeurde. Ook in Polen werd scouting onmogelijk gemaakt en verboden. In Nederland verwachtte men niet anders. Toch veranderde er aanvankelijk niet veel. Activiteiten buiten, zoals kamperen en het houden van kampvuren, werden weliswaar verboden, maar verenigingen konden blijven functioneren.
Verbod
Dat de Duitsers in ons land anders opereerden dan in bijvoorbeeld Polen kwam door de vermeende Germaanse oorsprong van het Nederlandse volk. Het doel van de bezetter was aanvankelijk om te streven naar eenheid. Politieke partijen en hun jongerenbewegingen werden weliswaar verboden, behalve de NSB en de Nationale Jeugdstorm, maar de bedoeling was om de Nederlandse jeugd gelijk te schakelen door één Nederlandse jeugdorganisatie op te richten. Verschillende gesprekken hierover leidden uiteindelijk tot niets.
Op 2 april 1941 nam de bezetter het besluit dat scoutingverenigingen, door de mislukte gesprekken, toch verboden werden. Op 9 april verscheen er in de dagbladen een artikel dat de organisaties ontbonden werden met als reden: “de Nederlandsche padvinders (…) centraal vanuit het internationale padvindersbureau te Londen geleid werden en een actief instrument der Britsche cultureele en politieke propaganda waren.”
List
Bezema: “Van 1935 tot 1941 hebben we op meerdere locaties in de stad gezeten. Het begon aan het Boterdiep en daarna aan de Meeuwerderweg. Toen de vereniging verboden werd, werd de locatie gevorderd. In den lande zijn er verschillende verhalen te vinden van verenigingen die hun onderkomen in de fik staken. Zij wilden niet dat de Duitsers er gebruik van zouden maken. Je kunt het omschrijven als een soort patriottisme. In Groningen is dat niet gebeurd. Sterker nog: De Zwervers zijn tijdens de oorlogsjaren doorgegaan. Niet als scoutingvereniging en ook niet vanuit het verenigingsgebouw, maar als kampeerclub. En daar had de Duitse bezetter geen problemen mee.”
Volgens Bezema leek de kampeerclub niet op een scoutingvereniging: “De uniformen die we bijvoorbeeld droegen, die mochten niet. Maar ook navigeren en kaartlezen, dat kon niet in het openbaar gebeuren. Uit de interviews die wij gedaan hebben blijkt dat er in die jaren wel verschillende zomerkampen hebben plaatsgevonden. Men is bijvoorbeeld naar Schipborg en Hooghalen geweest. Maar ook Appèlbergen. Toen dit werd aangewezen als militair terrein, ging dat niet meer, en week men uit naar Glimmen.”
De leden van de scoutingvereniging waren in die jaren hele normale jongens: “Het waren jongens uit stadse gezinnen. Niet uit chique families, nee, zonen uit gewone arbeidersgezinnen. Vaak ging het ook om gezinnen die niet veel geld hadden. Met deze list, waarbij we de bezetter dus eigenlijk voor de gek hebben gehouden, is men de oorlogsjaren goed doorgekomen.”
Inwijding
De kampeerclub was niet het enige wat plaatsvond. Want hoe kwam je in die tijd aan nieuwe leden? Een interview met Jacques van der Zee, afgenomen in de jaren negentig, geeft helderheid. Van der Zee was bij De Zwervers hopman. Bij veel scoutingverenigingen wordt een hopman tegenwoordig teamleader genoemd.
“Tijdens de oorlogsjaren kwamen de padvinders in het geheim bij elkaar”, vertelde Van der Zee destijds. “Van mijn neef kreeg ik in augustus 1944 een broekriem met als sluiting de padvinderslelie. Ook had ik al eerder de wet en de belofte gekregen om die uit mijn hoofd te leren. In september 1944, ik was bijna dertien jaar oud, kreeg ik mijn eerste opdracht. Ik moest naar de zandbulten aan de Winsumerstraatweg komen. Tegenwoordig is op die plek de begraafplaats Selwerderhof te vinden. Ik mocht aan niemand iets vertellen.”
Na het passeren van treinstation Groningen Noord, waar Duitse soldaten een trein aan het lossen waren, trok Jacques in de richting van de volkstuintjes. “Bij de derde struik moest ik aan rood-wit-blauw denken. Toen ik de struik goed bekeek, zag ik opeens een rood draadje. Ik schrok. Ik ging nu namelijk iets doen wat verboden was. Er was niemand te zien en voor mij lag een grote wildernis van bergen zand en klei en hier en daar een boompje of struik. Opeens hoorde ik iemand zacht fluiten: ‘Hoort, zegt het voort.’ Een jongen, veel ouder dan ikzelf, stond op en vroeg: ‘Wat moet jij hier?’ Ik wist niet wat ik moest zeggen, maar gelukkig hielp hij mij en vroeg: ‘Als de middelste kleur wit is, wat zijn dan de buitenste kleuren?’ Ik antwoordde: ‘Rood en blauw’. Ondertussen zag ik zijn broekriem met de padvinderslelie, en liet daarop ook mijn riem zien. Vervolgens mocht ik meekomen.”
Van der Zee werd meegenomen naar een kuil waar nog twee andere mannen waren. “Namen werden er niet genoemd. Aan mij werd gevraagd of ik de Padvinderswet kende. Uit die wet moest ik twee artikelen twee keer opnoemen. Korte tijd later kwam er nog een jongen bij; hij kreeg dezelfde opdracht. De oudste van de drie mannen ging daarna staan en zei tegen mij: ‘Jij heet Sjak, en de andere heet Kees.’ Vervolgens werd er een kleine rood-wit-blauwe vlag ontvouwen met op het wit de lelie. Onze linkerhand moesten we op de vlag leggen en met de rechterhand moesten we het padvindersteken maken en de belofte zeggen. Dankzij deze mannen was het mogelijk om direct na de oorlog actief te zijn als padvinder. Ik ben overigens nooit te weten gekomen wie die drie mannen geweest zijn.”
Verzet
De situatie in Groningen staat niet op zichzelf. In andere steden gingen scoutingverenigingen na het verbod in 1941 de illegaliteit in. Een groot aantal scouts koos er ook voor, met de kennis die ze hadden, om het verzet in te gaan. Bij de bevrijding hielpen ze de geallieerden door bijvoorbeeld het verkeer te regelen en berichten en poststukken rond te brengen. Vanwege deze rol maar ook omdat veel scouts om het leven kwamen tijdens de oorlogsjaren, hebben ze een belangrijke rol tijdens herdenkingen.
Bezema: “Het is een klassiek beeld, dat De Zwervers met grote hoeden op zich direct na de bevrijding lieten zien. Het is ook heel mooi dat ook in Groningen de scouts bij de herdenkingen worden betrokken. Het is belangrijk dat dit verhaal niet vergeten wordt.” Het besef speelt daarbij ook een belangrijke rol: “De padvinderij is niet competitief. Het is ingericht om het samen te doen, spelenderwijs. Dat zit in de genen van elke scoutingvereniging. En ik blijf het bijzonder vinden dat alles wat in de afgelopen decennia is neergezet, een hele sterke community blijft.”
Wederopbouw en verzuiling
De jaren na de oorlog waren niet makkelijk: “Qua materialen moesten we het doen met bijvoorbeeld zeildoeken van vóór de oorlog. Pas in de jaren zeventig werd de situatie beter. Fondsenwerving werd toegestaan en de mensen kregen meer geld. Maar in elke groep waren er ook kinderen te vinden die uit gezinnen kwamen die het niet breed hadden. Zij hoefden geen contributie te betalen. Zo hielpen we elkaar en op die manier kon iedereen meedoen.”
Volgens Bezema waren de uitdagingen na de oorlog groot: “Nederland moest zich opnieuw uitgaan vinden. Er ontstonden stromingen: links en rechts. De verzuiling kreeg een nieuwe dimensie. De basis van De Zwervers die voor de oorlogsjaren is gelegd, kreeg mede op basis van de levensbeschouwelijke grondslag waar de vereniging op is gebouwd goed gestalte. Toen ik in de jaren vijftig bij de vereniging kwam en De Zwervers in een oud pandje aan de Noorderbinnensingel zaten, stond het er goed voor. Er was een goede structuur. En dat hebben we ook nooit meer losgelaten. Tot 1985 hadden we overigens een plek in de Violenstraat en daarna kregen we een eigen scoutinggebouw aan de Concourslaan. Vorig jaar bestonden we negentig jaar. Ik denk dat De Zwervers leven als nooit tevoren.”
Jubileumboek
Toch blijft er wel een vraag hangen. Want dat jubileumboek dat nooit is afgemaakt: gaat dit misschien toch nog het levenslicht zien, nu de interviews van toen steeds meer waarde krijgen? “Een boek is een hele uitdaging. Daar zit veel werk in. Maar ondertussen is het ook iets wat ons niet loslaat. In vergelijking met de jaren negentig is er veel veranderd: het internet is nu volledig ingeburgerd. Ik kan mij herinneren dat we in die tijd een tijdlijn hebben ontwikkeld die door een grafisch vormgever is gemaakt. Tijdens de reünie hing die toen in het gebouw. Het idee nu is om deze tijdlijn te digitaliseren en een plek te geven op de website van De Zwervers. En dat willen we ook doen met de verhalen, de interviews die we gedaan hebben, zodat we deze toch toegankelijk kunnen maken. En een boek? Tja, wie weet.”
Dodenherdenking
Volgende week is het Nationale Dodenherdenking en vieren we een dag later de Vrijheid. “Tegenwoordig woon ik al heel wat jaren in Frankrijk. Als ik zie hoe Bevrijdingsdag hier op 8 mei wordt gevierd, we noemen dat hier Fête de la Victoire, dan is dat veel uitbundiger met het zingen van het Franse volkslied La Marseillaise, maar ook een patriottenlied dat dan gezongen wordt. In Frankrijk wordt er veel waarde gehecht aan de dag, waarbij ook heel nadrukkelijk stil wordt gestaan bij gesneuvelde familieleden en alle emoties die daarbij horen.”
“Bevrijdingsdag in Groningen heeft de afgelopen decennia een andere invulling gekregen, met meer een festivalkarakter. Op 4 mei daarentegen kijk ik wel altijd naar de herdenking op de Dam in Amsterdam. De actieve rol die scouts daar hebben, dat bezorgt mij altijd weer kippenvel. Maar om heel eerlijk te zijn: ik zou voor 4 mei niet speciaal naar Groningen reizen. Als ik nog in de stad had gewoond, dan wel. Maar ik blijf de dagen wel koesteren. Het gaat over onze vrijheid. En dat is een groot goed. Dat mogen we nooit vergeten.”