Beno Hofman kruipt in deze aflevering in de huid van de zeer veelzijdige Petrus Camper. Camper werd ondanks z’n conflictueuze karakter een succesvol hoogleraar in Groningen. Hij deed vele uitvindingen o.a. ter bestrijding van de veepest en had grote invloed op de keus voor het nieuwe Groninger stadhuis (‘de Campere stukken’).
► Beschrijving
We kennen Petrus Camper al jaren van de Petrus Campersingel en tegenwoordig ook van deze Campertoren.
Maar ook het stadhuis heeft iets met deze Petrus Camper te maken.
Laten we maar eens kijken hoe dat zit.
Petrus Camper werd op 11 mei 1722 in Leiden geboren.
Zijn grootvader was arts, zijn vader dominee en zijn moeder de dochter van een rijke koloniale ambtenaar.
De jong Camper was een leergierig baasje dat van vele markten thuis was.
Hij studeerde natuurwetenschappen en medicijnen en volgde kunstonderwijs.
Op zijn achtentwintigste werd hij professor in Franeker en trouwde daar een rijke Friezin.
Petrus Camper was een man met twee gezichten.
Hij kon erg aardig zijn maar ook heel grof en lomp.
Dat laatste was hij tegen zijn collega, de medische hoogleraar Tiberius Lambergen.
Deze Lambergen was ouder dan Camper en stond daardoor hoger in de academische rangorde.
Camper was het hier niet mee eens omdat hij zichzelf een grotere geleerde vond.
Op 7 februari 1752 kwam het conflict tot een uitbarsting.
Tijdens een senaatsvergadering vroeg Camper aan Lambergen om voor hem plaats te maken.
Toen deze dat weigerde pakte Camper hem op met zijn stoel en zette hem weg.
Hij pakte Lambergen daarbij zo stevig vast dat deze het uitschreeuwde.
Camper kreeg voor zijn grove gedrag een fikse geldboete.
Petrus Camper botste eind 1752 opnieuw met Lambergen.
Camper was genomineerd om hoogleraar te worden in Groningen maar Lambergen werd benoemd.
Toen deze Lambergen in 1763 overleed kreeg Petrus Camper een herkansing.
De Groningse universiteit wilde hem nu graag hebben omdat hij ondertussen in Amsterdam naam had gemaakt als hoogleraar anatomie.
De universiteit bood hem een professoraat theoretische geneeskunde, anatomie, chemie en botanie met een vorstelijk salaris en een ambtswoning bij de Hortus.
Hier kwam Petrus Camper in 1763 met vrouw en kinderen te wonen.
De planten van de Hortus achter het huis waren gecatalogiseerd volgens het systeem van de beroemde Zweedse medicus en bioloog Linnaeus.
Camper had hier op zich niets tegen maar hij vond dat Linnaeus te weinig zei over de werking van de kruiden.
Hij noemde de Zweed de meest oppervlakkige natuuronderzoeker die hij ooit had gekend.
En toen Camper gevraagd werd om als eerste buitenlander lid te worden van een Engels genootschap van geleerden weigerde hij omdat het naar Linnaeus was genoemd.
Als Petrus Camper iets tegenkwam dat volgens hem verbeterd kon worden probeerde hij dat.
Zo gaf hij aanwijzingen voor de verbetering van Friese doorlopers, schoenen en zijn eigen koets.
En Camper volgde een cursus smeden om verlostangen en breukbanden te kunnen maken.
Verder brouwde Camper voor zijn eigen kinderen een gezonde pap van tarwemeel, regenwater, Spaanse zeep, suiker en koeienmelk.
Petrus Camper wilde vooral nuttig zijn.
Daarom bood hij het Groningse stadsbestuur zijn diensten aan toen de veepest de stad in 1768 naderde.
Camper stelde voor te onderzoeken of de huiden van gestorven dieren de ziekte konden verspreiden.
Op kosten van de stad kocht hij twee gezonde kalveren en bracht die in een strohut in Haren in contact met zieke huiden.
Er gebeurde niets.
Zelfs toen hij ze besmet bloed te drinken gaf bleven de dieren gezond.
Het stadsbestuur was tevreden maar Camper zette zijn experimenten in Friesland voort.
En concludeerde uiteindelijk dat zieke huiden wel degelijk konden besmetten.
Petrus Camper was één van de eersten die vond dat een hoogleraar geneeskunde naast theoretisch ook praktisch bezig moest zijn.
Daarom opereerde hij zelf en behandelde in het bijzijn van studenten patiënten.
Maar Camper had meer interesses.
Hij bestudeerde schedels, mineralen en hunebedden, legde verzamelingen aan en maakte er tekeningen van.
Camper vond tekenen zo belangrijk dat hij zelfs een vergeefse poging deed Groningen een kunstacademie te geven.
In 1773 hield Camper het op aandrang van zijn vrouw in Groningen voor gezien en ging terug naar zijn Friese buitenplaats.
Petrus Camper was dan wel weg uit Groningen.
De stad was nog niet van hem af.
Door zijn belangstelling voor architectuur ging hij zich met de plannen voor een nieuw stadhuis bemoeien.
Hij adviseerde de burgemeester een prijsvraag uit te schrijven en ging zelf in de jury zitten.
Camper had voorkeur voor iets neoklassieks en een dergelijk ontwerp won dan ook.
Uit de 38 binnenlandse en buitenlandse inzendingen koos de jury het ontwerp van de Amsterdamse tekenleraar Husly.
Die heel toevallig een goede bekende was van Camper.
Probleem was echter de financiering.
En het werd nog erger toen de zwager van de burgemeester er met de belastingopbrengst vandoor ging.
In 1775 werd al voorspeld: ‘het zal nog in vijftien jaar niet lukken dat je hier zult zien de Camperstukken’.
En die voorspelling kwam uit.
Petrus Camper zou zijn stadhuis nooit te zien krijgen.
Hij overleed op 7 april 1789 en het stadhuis, de Camperstukken, was pas in 1810 gereed.
Toch is naast de Campertoren en de Petrus Campersingel het stadhuis een herinnering aan de grote en bijzondere geleerde Petrus Camper.