Het college van B&W legt zich neer bij het besluit van het ministerie om geen tijdelijke verbinding aan te leggen tijdens de bouw van de nieuwe Gerrit Krolbrug. Volgens wethouder Philip Broeksma (Verkeer) zijn de risico’s op uitstel of versobering van het definitieve ontwerp anders te groot.
De Gerrit Krolbrug werd in 2021 aangevaren en is sindsdien een hoofdpijndossier. De huidige tijdelijke hellingbanen en de oude loopbrug moeten tijdens de bouw van de nieuwe brug verdwijnen om de aannemer de ruimte te geven. De bouw daarvan start in 2027 en duurt minimaal twee tot drie jaar. Afgelopen week gaf het ministerie aan dat een tijdelijke brug niet tot de mogelijkheden behoort, waardoor fietsers en voetgangers jarenlang via de Noordzeebrug of Oostersluis om moeten rijden.
Zorgen over veiligheid
Femke Folkerts van PRO opende het debat met een persoonlijk woord: “Het is vandaag een memorabel moment omdat onze wethouder afscheid neemt. Bijzonder was dat zijn allereerste woordvoering als wethouder over de Paddepoelsterbrug ging. Nu hebben we het over de Gerrit Krolbrug. We zijn heel blij dat er een nieuwe permanente brug komt. Maar wat voor ons een pijnlijk punt is, is hoe de fietsers en voetgangers gedurende de bouw van A naar B moeten komen. Wij zijn bang dat de omleidingsroutes veel te druk en te onveilig worden. Wij willen daarom weten hoe de wethouder deze uitslag weegt en ook hoe er is omgegaan met de alternatieve variant die vanuit de bedrijvenvereniging is aangedragen. Juist deze variant gaf ons veel hoop; en bovendien vinden wij dat als inwoners zelf ergens mee komen, dit te allen tijde serieus moet worden genomen.”
Elvira Krudde van de Partij voor de Dieren sloot zich aan bij de zorgen en trok de kwestie breder naar de verhouding tussen het Rijk en het Noorden: “Wij sluiten ons aan bij de vragen van de PRO-fractie. Daarnaast aanvullend: in het verleden is er in ons land veel infrastructuur aangelegd dankzij de verkoop van Gronings gas. Nu zien we dat met betrekking tot het Noorden er belangrijke investeringen uitblijven: de Lelylijn komt niet, snelwegen in het Noorden worden vanwege bezuinigingen bij Rijkswaterstaat niet meer onderhouden en nu komt er ook geen noodbrug. Maar ondertussen wordt er wel voorgesorteerd op twee kerncentrales die in de Eemshaven moeten komen. Dat roept vragen op. Inwoners verliezen namelijk het vertrouwen in de politiek. En dat raakt ook ons als lokale overheid. Wellicht is het goed om helder uiteen te zetten welke verantwoordelijkheden lokale overheden hebben en welke het Rijk heeft.”
147 varianten onder de loep
Wethouder Broeksma blikte in zijn laatste bijdrage als wethouder uitgebreid terug op zijn ambtstermijn: “Ruim zeven jaar geleden was mijn allereerste interview in de media over de Paddepoelsterbrug. Het goede nieuws is dat deze brug terug gaat komen, waarvan de bouw volgend jaar gaat beginnen. Over de Gerrit Krolbrug: de afgelopen tijd is er nagedacht over een tijdelijke verbinding. Dat dit is gebeurd, dat was niet vanzelfsprekend. We hebben daar keer op keer gehamerd om er een bedrag van 6 miljoen euro voor vrij te maken. Daarop is Rijkswaterstaat met ingenieurs gaan rekenen. Bedenk ook dat er in die tussenliggende jaren zes ministers voorbij zijn getrokken op dit departement. Uiteindelijk zijn er 147 verschillende varianten langsgekomen. Dat hebben we getrechterd naar vier varianten. De variant over de busbaanbrug, die door de ondernemers is aangedragen, werd variant 4b.”
Broeksma benadrukte dat er grondig onderzoek is gedaan naar de ingediende plannen, maar dat de cijfers simpelweg tegenvielen: “Er is heel serieus naar deze opties gekeken: er is getekend en er is gerekend. Maar de conclusie is dat de beschikbare 6 miljoen euro niet genoeg is om een tijdelijke brug te realiseren. Los nog van alle nadelen die de verschillende varianten met zich meebrengen. Er moet dan bijvoorbeeld gedacht worden aan de hoogteverschillen: hoe los je dit op? Aan een zijde van het kanaal heb je te maken met vervuilde grond. Zo zijn er verschillende aspecten die een rol spelen.”
Naar aanleiding van deze conclusie werd er eerder in de Tweede Kamer een motie aangenomen van Kamerlid Habtamu de Hoop van PRO. Broeksma reageerde daarop: “Er is toen gezegd: die 147 varianten, zit daar toch niet iets tussen waardoor er misschien toch iets mogelijk is? Ook naar de optie die vanuit de bedrijvenvereniging is aangedragen voor een alternatieve constructie, is heel geïnteresseerd gekeken. Ook vanuit verschillende disciplines: nautische inspecteurs, ingenieurs en toezichthouders. En absoluut: er zaten in dit plan goede en creatieve elementen, maar ook minder goede elementen. Zoals een smalle verbinding waardoor deze onvoldoende capaciteit zou hebben voor de duizenden fietsers die van deze verbinding gebruik zouden maken. Ook financieel klopte het niet. Op bepaalde aspecten leek de variant goedkoper, maar de btw was bijvoorbeeld niet meegerekend. Kortom: allerlei haken en ogen waardoor het niet significant goedkoper was.”
Het risico op een versoberde brug
Het blijven opeisen van een tijdelijke verbinding bij het kabinet brengt volgens de wethouder grote gevaren met zich mee voor het uiteindelijke eindresultaat: “Wanneer er langer gekeken moet gaan worden naar een tijdelijke verbinding, betekent dit mogelijk vertraging voor de bouw van de definitieve brug. Vertraging betekent ook dat het duurder wordt, omdat prijzen van bijvoorbeeld bouwmaterialen stijgen. Je hebt het dan over bedragen van 10 tot 15 miljoen euro. Behalve voor vertraging zal dit ook leiden tot versobering van de nieuwe brug. Wat betekent dit concreet: dat de nieuwe, definitieve brug geen fiets- en loopbruggen krijgt voor de gehele levensduur van honderd jaar.”
Broeksma verwees daarnaast naar de huidige financiële tekorten waar Rijkswaterstaat landelijk mee kampt: “Elders in het land worden projecten afgeblazen. Als college staan wij aan de kant van de inwoners, zodat zij goed het kanaal kunnen oversteken. Hinder zal er de komende jaren onvermijdelijk zijn. Wel staat in de brief van de minister dat deze hinder verzacht wordt: bijvoorbeeld door extra openbaar vervoer in te zetten en auto- en fietsverhuur mogelijk te maken. Dit soort punten, daar moeten we over in gesprek blijven. Maar opnieuw in gaan zetten op een tijdelijke brug: dat zal niet leiden tot een ander besluit, maar maakt wel het risico op uitstel en versobering van de definitieve brug groter.”
Groningse ereschuld
Tot slot ging de wethouder uitgebreid in op de politieke frustratie die de Partij voor de Dieren verwoordde over de verdeling van de Rijksgelden: “Het Gronings gas is goed geweest voor vele miljarden waar Nederland de huidige welvaart aan te danken heeft. In uw bijdrage noemde u de plaatsing van kerncentrales in de Eemshaven en het terugschroeven van het onderhoud aan wegen. Wanneer er vragen worden gesteld, schrijf ik die op een briefje op. In dit geval heb ik ‘zeer irritant’ opgeschreven. Als we het hebben over een Rijksweg, dan is dit een Rijksaangelegenheid die met Rijksgelden bekostigd wordt. De gemeenteraad daarentegen gaat over bestemmingsplannen. Dat is allemaal heel duidelijk afgekaderd.”
“Dat provincie en gemeenten van de kerncentrales hebben gezegd: ‘nee, dat willen we niet’, en dat het Rijk daar nu toch mee komt — ondanks Nij Begun en de beloftes over de ereschuld aan Groningen — dat is niet te verteren”, sloot Broeksma af. “Dat er nu door Rijkswaterstaat 80 miljard euro bezuinigd moet worden, waarbij deze bezuinigingen deels in Groningen terechtkomen, dat is voor ons onverteerbaar. Wij hebben met Nij Begun een economische, sociale en isolatieagenda. We lopen qua welvaartsniveau dertig jaar achter op de rest van Nederland. Bedenk wat dit betekent.”