Deze week is het 81 jaar geleden dat Canadese geallieerden de stad Groningen bevrijdden, waarmee een einde kwam aan vijf jaar Duitse bezetting. Bij het monument ‘Twee Bruggen’ bij de Oostersluis vond een kranslegging plaats op de plek waar destijds de laatste zware gevechtshandelingen plaatsvonden.
Bij de herdenking was kinderburgemeester Biene aanwezig. Zij hield een indrukwekkende toespraak in de vorm van een gedicht:
“Op 16 april 1945 was onze stad vol met strijd en snakte iedereen ernaar om te worden bevrijd. Inwoners voelden spanning; ons prachtige Groningen was triest en grauw. Men hoopte op de geallieerden. Waar bleven ze nou? De Groningers vochten om een brug te sluiten, ze waren moedig en sterk. Bij deze twee bruggen deden de mannen Dijkema heel zwaar werk. Ze moesten allemaal voor hun leven vrezen, maar gelukkig kwam er hulp van de Canadezen. De brug ging dicht, zodat de bevrijders verder konden gaan, richting Delfzijl om op meer plekken de vijand te verslaan. Roy Coffin gaf de mannen dekking, maar hij werd doodgeschoten in de strijd. Roy overleed terwijl hij vocht voor onze vrijheid.”
Blokkade bij Oosterhoogebrug
Op die aprildag in 1945 hadden de geallieerden de stad bijna volledig bevrijd. De Duitsers hielden echter stand aan de oostkant van de stad en hadden de bruggen omhooggedraaid. Hiermee wilden ze de opmars van de Canadezen vertragen, zodat de eigen soldaten tijd hadden om zich terug te trekken richting de verdedigingslinie bij Delfzijl. Oosterhoogebrug kwam door deze situatie onder zwaar Canadees artillerievuur te liggen, wat leidde tot grote schade aan de woningen aan de Hoogeweg. Vanwege het sluizenstelsel was het gebied makkelijk te verdedigen voor de Duitsers en kregen de Canadezen de situatie niet onder controle.
Familie Dijkema
Op dat moment kwam de 54-jarige Popke Dijkema in beeld. Hij werkte voor de Provinciale Waterstaat en was verantwoordelijk voor het onderhoud van de bruggen en sluizen. Popke was ongerust over de situatie van zijn broer Jacob-Jan en diens 16-jarige zoon Jan, die in de Begoniastraat in de Oosterparkwijk woonden. Samen met zijn zoon Willem besloot hij op onderzoek uit te gaan.
Ondanks de levensgevaarlijke tocht wisten de twee de overkant te bereiken. Willem ging vanaf daar naar zijn verloofde aan het Schuitendiep, terwijl Popke het huis van zijn broer bereikte. Daar zagen de mannen al snel dat de Canadezen niet door konden stoten omdat de bedieningssleutels van de bruggen verdwenen waren. Popke, Jacob-Jan en Jan boden zich daarop bij de Canadezen aan als vrijwilligers om de brug handmatig te laten zakken.
Met de handen
Onder dekking van een Canadese tank kroop het drietal naar de voetbrug en vervolgens over de drijvers van de sluisdeur naar de overkant. Daar kropen ze naar de machinekamer van de grootste brug, de Aegirbrug. Terwijl de kogels hen om de oren vlogen, trokken ze met de hand aan de zware tandwielen om de brug, die normaal elektrisch bediend wordt, centimeter voor centimeter te laten zakken.
Daarna kropen de drie naar boven om de zware hekken te openen. De 22-jarige Canadees Roy Coffin probeerde hen dekking te geven door de Duitsers af te leiden, maar hij werd daarbij dodelijk getroffen. Kort daarna werd ook Popke geraakt door een kogel in zijn arm. Zijn broer en neef doken daarop direct het water in. Op datzelfde moment ramde een Canadese tank door de hekken; de weg naar Oosterhoogebrug lag open en de Duitse stellingen konden snel worden uitgeschakeld.
Eer
Popke werd voor behandeling naar het Rooms-Katholieke ziekenhuis gebracht, waar hij maandenlang moest herstellen. De toenmalige gemeente Noorddijk besloot hem na de oorlog te eren door de Hoogeweg om te dopen tot de Pop Dijkemaweg. Daarnaast kreeg Popke een fiets cadeau van de gemeente. Uit handen van prins Bernhard ontvingen de drie mannen naderhand de ‘British Empire Medal’. De Canadezen konden vervolgens oprukken richting Delfzijl. Op 23 april zou de slag om de havenstad beginnen, op 2 mei gaven de Duitsers zich over.