De Werkgroep Toegankelijk Groningen (WTG) wil beter en structureler betrokken worden bij projecten in wijken en dorpen. Volgens de werkgroep moet bij nieuwe plannen buiten het centrum nu nog te vaak opnieuw het wiel worden uitgevonden. Wethouder Mirjam Wijnja (PRO) van Stadsbeheer erkent de kritiek en stelt dat het ‘lerend vermogen’ binnen de gemeentelijke organisatie beter kan.
“In de binnenstad zijn voldoende voorbeelden te noemen waar de samenwerking prima verloopt”, vertelt Herman in ’t Veen van de werkgroep. Hij wijst daarbij op de geleidelijnen op de Grote Markt en de inrichting van het gebied bij Dudok. “Maar bij projecten in de wijken en dorpen moeten we iedere keer opnieuw uitleggen wie we zijn en wat we doen. Als een projectgroep een plan presenteert, zijn we steeds aan het herhalen wat we een vorige keer bij een ander project ook al zeiden. Iedere keer is de reactie ‘goed idee’, maar dat goede idee hadden we de vorige keer ook al ingebracht.”
Eén richtlijn voor de hele gemeente
De werkgroep adviseert de gemeente om de richtlijnen voor de binnenstad (de Toegankelijkheid Openbare Ruimte (TOR)) door te trekken naar de rest van de gemeente. “Leg vast wat je doet qua toegankelijkheid bij belangrijke winkel- of buurtcentra, zoals bij het winkelcentrum in Haren. Pak dat concrete punt op en zorg dat dit snel wordt vastgelegd, zodat projectorganisaties in de wijken er direct mee aan de slag kunnen.”
Toch benadrukt de werkgroep ook de waardevolle relatie met de gemeente. “Wat Groningen heeft, daar is menig gemeente jaloers op”, stelt Marlieke de Jonge van de WTG. “In veel gemeenten is het namelijk erg moeilijk om ervaringsdeskundigen actief te krijgen.”
Zorgen over bezetting en continuïteit
Wel maakt de werkgroep zich grote zorgen over de ambtelijke capaciteit. Sinds mei heeft de gemeente weer een beleidscoördinator toegankelijkheid voor zestien uur per week, maar volgens De Jonge is dat voor zo’n zware functie lang niet genoeg. De afgelopen periode vielen er al meerdere coördinatoren uit door de hoge werkdruk of vertrokken zij naar een andere baan, waardoor de werkgroep maandenlang zonder ambtelijke ondersteuning zat.
“Voortdurend moet er daardoor een nieuw iemand worden ingewerkt”, legt De Jonge uit. “Wij worden er ondertussen een beetje moe van om iedere keer goedbedoelende mensen op te branden. Met slechts één medewerker op zo’n kwetsbare plek spreid je het risico simpelweg niet. Wat wij nodig hebben is een tweede coördinator en een duidelijke positie met de nodige erkenning voor onze ambassadeurs op de verschillende gemeentelijke afdelingen.”
Volgens Wijnja zit de oplossing nu echter niet direct in het uitbreiden van het aantal ambtelijke uren, maar in het verankeren van kennis binnen de hele organisatie. Wijnja: “De opdracht die er nu ligt is dat de opgedane kennis gaat landen in de rest van de organisatie. Er staat nu een vaste coördinator en er staan gesprekken gepland. Waar we de energie in moeten steken, is het beter aan de gang krijgen van ons lerend vermogen.”
