Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl bestaat 75 jaar: van handwerk tot vitale levensader

nieuws
De aanleg van het Van Starkenborghkanaal bij de Dorkwerderbrug. In 1931 werd er door middel van werkschaffing klei afgevoerd met kiepkarren. Foto: onbekend: Reproductie uit 'Het Noorden in Woord en Beeld' 15-05-1931 - Beeldbank Groningen, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=144938047

Dit weekend is het precies 75 jaar geleden dat de hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl officieel werd geopend. Sinds de opening vormt deze vaarweg een belangrijke rol in de economie en de bereikbaarheid van Noord-Nederland.

De hoofdvaarweg bestaat uit drie aaneengesloten kanalen: het Van Starkenborghkanaal, het Eemskanaal en het Prinses Margrietkanaal. De situatie honderd jaar geleden was echter wezenlijk anders dan nu. In 1911 werd er een speciale commissie ingesteld die moest nadenken over het realiseren van een nieuwe waterweg tussen Groningen en de Zuiderzee. De bestaande routes over water waren destijds omslachtig en kostten veel tijd, terwijl de opkomende handel en scheepvaart juist vroegen om een snellere, directe verbinding. In die tijd werd er gesproken over de aanleg van ‘het grote scheepvaartkanaal’, maar de politieke gesprekken verliepen stroef. Vooral de onenigheid tussen Groningen en Friesland over wie welk deel van de kosten moest betalen, zorgde voor flinke vertraging.

Groningen begint alleen
Na de aanleg van een nieuwe sluis bij Gaarkeuken in 1924 liepen de gemoederen zo hoog op, dat Groningen in 1928 besloot om zonder Friese overeenstemming zelf maar te beginnen met de realisatie van het kanaal. Ongeveer 1.400 mensen werden aan het werk gezet, van wie er 1.300 via een werkverschaffingsproject werden aangestuurd. Grotendeels met de hand en tegen een laag loon werd er zwoegend een nieuw kanaal tussen Zuidhorn en de Oostersluis gegraven. Tussen Zuidhorn en Gaarkeuken lag destijds al het Hoendiep, dat voor de nieuwe situatie flink werd verbreed. In 1938 waren de werkzaamheden aan Groningse zijde klaar, waarna koningin Wilhelmina het kanaal in het najaar officieel in gebruik nam. Het Van Starkenborghkanaal werd daarbij vernoemd naar de toenmalige commissaris van de Koningin: Edzard Tjarda van Starkenborgh Stachouwer.

Daarmee was de totale hoofdvaarweg echter nog niet compleet. Pas in 1935 begonnen in Friesland de werkzaamheden voor de aanleg van het veel langere Prinses Margrietkanaal. Door de oorlogsjaren liep dit project vertraging op, waardoor het pas in 1951 klaar was. Op 30 mei van dat jaar opende de naamgeefster, prinses Margriet, de vaarweg officieel.

Modernisering
De Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl is uniek door zijn gevarieerde opbouw. “De route bestaat uit meren, bestaande waterlopen en later gegraven delen”, vertelt Rijkswaterstaat, die de vaarweg tegenwoordig beheert. “Langs de vaarweg liggen verschillende bruggen en sluizen. De route doorsnijdt Friesland en Groningen en maakt al decennialang deel uit van het vlakke landschap van beide noordelijke provincies.” Oorspronkelijk lag het beheer bij de provincies zelf, maar in 2014 droegen zij het nautisch beheer en onderhoud over aan Rijkswaterstaat vanwege het grote landelijke en economische belang.

Dat de verbinding ook vandaag de dag nog springlevend is, blijkt wel uit de ambitieuze toekomstplannen. Rijkswaterstaat wil de hoofdvaarweg in de nabije toekomst geschikt maken voor grotere schepen uit de zogenaamde CEMT-klasse Va. Dit zijn grote binnenvaartschepen met een diepgang tot 3,5 meter, een maximale strijkhoogte van 7,1 meter en een laadvermogen van 2050 tot 3300 ton. Om dergelijke schepen vrij te kunnen laten passeren, voldoet de vaarweg momenteel nog niet. Daarvoor moeten de komende jaren nog verschillende bruggen worden vervangen en is op diverse knelpunten een verdere verbreding en verdieping van het water nodig.