Column Benno de Jongh | Quotum

column

Nederland bungelt al jaren onderaan de lijstjes van het aantal vrouwelijke hoogleraren op universiteiten. De RUG staat op haar beurt binnen Nederlandse universiteiten weer ergens onderaan dat lijstje. ‘Kiezen voor kwaliteit, niet voor geslacht’, wordt er dan vaak plechtig gezegd door mannelijke bestuurders die er heilig van overtuigd zijn dat zij zelf op hun plek zijn gekomen vanwege hun charisma en geleerdheid.

Een oppervlakkige uitspraak, waarmee je in feite zegt dat vrouwen over minder kwaliteiten beschikken dan mannen. Het toont aan dat een vrouwenquotum, dat in tegenstelling tot de top van het bedrijfsleven nog niet geldt aan universiteiten, helaas bittere noodzaak is.

Al vele tientallen jaren strijden vrouwen voor gelijke representatie in wetenschappelijke en bestuurlijke functies. We moeten constateren dat de situatie maar mondjesmaat verbetert. Deze week maakte het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren bekend dat het aantal vrouwelijke professoren afgelopen jaar in ons land met slechts één procent groeide, het laagste in vijf jaar. De groei aan de RUG is 1,2 procent, vorig jaar was dat nog 3,2 procent. Op dit moment is 27,6 procent van de hoogleraren aan de RUG vrouw. Het streefgetal voor 2025 is 30 procent, maar in dit tempo wordt dat krap.

De RUG doet heus wel wat. Omdat mensen vooral iemand zoeken die gelijk is aan hunzelf, en mannen dus geneigd zijn mannen te benoemen, is de regel dat in de selectiecommissies voortaan ten minste twee vrouwen zitten. Ook zijn er speciale programma’s of fellowships, zoals een aantal jaren geleden de Aletta Jacobs-leerstoelen. Allemaal hartstikke goede initiatieven, maar soms lijkt het ook wel een excuus om de volgende keer weer een man te benoemen.

De middelmaat regeert, en dat zien we vooral bij veel mannen in bestuurlijke functies. Deze mannen zaten bijna allemaal bij een studentenvereniging, vooral het corps. Ze werden op relatief jonge leeftijd lid van een politieke partij, het liefst een van de vier of vijf middenpartijen. Ze beschikken over een goed netwerk en halen geregeld een wit voetje bij hun leidinggevenden, ook vrijwel altijd mannen. De mannen hebben het geluk dat ze in dit land ongeveer de helft minder concurrenten hebben voor dezelfde functie, want voordat een vrouw wordt aangenomen moet er heel wat water door de Aa. Vervolgens zit de middelmatige bestuurder zijn tijd uit met zo weinig mogelijk vijanden maken door niet al te veel moeilijke beslissingen te nemen. Een voorbeeld hiervan zijn de vrijblijvende streefgetallen die gesteld worden voor de groei van het aantal vrouwelijke hoogleraren. Percentages die vervolgens vaak niet gehaald worden.

Door een gelijkere verdeling tussen mannen en vrouwen heb je een groter reservoir om uit te putten. Dat betekent eigenlijk altijd kwalitatief betere mensen, op universiteiten en in veel andere organisaties. Maar ook de organisatie als geheel presteert beter, blijkt uit bijna elk onderzoek. Bedrijven die in de top over zowel mannen als vrouwen beschikken, gaan minder snel failliet en maken op de lange termijn meer winst. Dat is ook logisch: want mensen met verschillende denkbeelden binnen een organisatie leidt tot meer discussie en een kritischer houding.

In het streven naar een gelijke verhouding tussen mannen en vrouwen aan de top van de universiteit is er nog een lange weg te gaan. Het gaat met moeizame procentjes vooruit. Omdat de vrijblijvende doelen niet vaak worden gehaald, lijkt een wettelijke norm of quotum de enige oplossing. Moet het dan overal precies vijftig procent man en vijftig procent vrouw zijn? Nee, natuurlijk niet. Je kan je best voorstellen dat op de faculteit Wiskunde meer mannelijke hoogleraren rondlopen en bijvoorbeeld op de faculteit Psychologie meer vrouwen. Maar het zou wel weer jammer zijn als bij sommige vakgroepen helemaal geen mannen of vrouwen te vinden zijn. We moeten de verschillen tussen mannen en vrouwen koesteren, maar dat geldt zeker ook voor de gelijkenissen.

Dus niet het ietwat kortzichtige 50 procents-quotum, maar wat dan wel? Kijk naar het percentage afgestudeerden per studierichting. Studeert bij een bepaalde studie 59 procent vrouwelijke studenten af, zorg dan dat ongeveer 59 procent van de universitair hoofddocenten én hoogleraren ook vrouw is. In praktijk betekent dat: ligt het percentage ónder de 59 procent, dan is de volgende benoeming een vrouw. Ligt het daarboven, dan wordt het een man. Simpel zat. Je kan het morgen invoeren.

Als zo’n quotom daadwerkelijk zou worden ingesteld, is de consequentie dat mannen met ambitie voor het hoogleraarschap een tijdje op de reservebank moeten zitten. Dat is niet eerlijk? Nee, misschien niet. Maar dat was het voor vrouwen de afgelopen honderd jaar ook niet. En op de lange termijn zou het heel goed kunnen zijn dat wij mannen, het zwakke geslacht, heel erg blij mogen zijn met een quotum.

Benno de Jongh is freelance journalist, onder meer bij RTV Noord en voor verschillende schaakwebsites en -bladen. Benno schrijft wekelijks een column over een relevant onderwerp uit de gemeente Groningen. Heb jij een goed onderwerp waar Benno aandacht aan moet besteden? Of wil je iets kwijt over de columns? Stuur dan een mail naar benno@oogtv.nl

Deel dit artikel: