De gemeente Groningen had een mondeling bevel aan een inwoner om zijn steiger te verwijderen moeten behandelen als een besluit waartegen hij bezwaar kon maken. Dat heeft de Raad van State woensdag bepaald. De gemeente moet de bezwaren van de inwoner daarom alsnog inhoudelijk behandelen.
De zaak draait om een steiger die eind 2021 op het trottoir bij een pand in Groningen stond. De eigenaar had toestemming om de steiger daar van 8 november tot en met 3 december te laten staan. Omdat zijn werkzaamheden nog niet klaar waren, liet hij de steiger na die datum staan.
Maar na een melding controleerden toezichthouders van de gemeente de situatie drie weken later en lieten de eigenaar weten dat de steiger toch echt weg moest. Drie dagen later moest de steiger verdwenen zijn. De controleurs kwamen drie dagen later terug en de steiger stond er nog. De eigenaar kreeg toen te horen dat hij de steiger voor 15.00 uur moest verwijderen, anders zou een andere steigerbouwer namens de gemeente de steiger weghalen. Dat op kosten van de inwoner.
De eigenaar liet daarop zijn eigen steigerbouwer komen en verwijderde de steiger binnen de gestelde tijd en vroeg de gemeente om het bevel op papier te zetten. De gemeente weigerde dat en verklaarde zijn bezwaar daartegen ongegrond.
Juridisch conflict eindigt bij hoogste bestuursrechter
Dat mondde uit in een rechtszaak. Bij de rechtbank aan het Guyotplein kreeg de gemeente in 2024 nog gelijk. Volgens de rechtbank was geen sprake van bestuursdwang, omdat de eigenaar de steiger uiteindelijk zelf had verwijderd.
De Raad van State oordeelt daar nu anders over. Volgens de hoogste bestuursrechter had het optreden van de gemeente alle kenmerken van een gewone last onder bestuursdwang. Er was aangegeven wat de eigenaar moest doen, binnen welke termijn dat moest gebeuren en wat er zou gebeuren als hij niet op tijd handelde. Daarbij speelde mee dat op 24 december al een steigerbouwer klaarstond om de steiger namens de gemeente weg te halen. De eigenaar mocht er daardoor vanuit gaan dat de gemeente hem daadwerkelijk een last onder bestuursdwang oplegde.
Volgens de Raad van State moet het mogelijk zijn om bij de bestuursrechter tegen zo’n mondeling opgelegde last op te komen. Dat de gemeente het bevel niet op papier zette, mag die rechtsbescherming niet onmogelijk maken.
Het hoger beroep van de inwoner is daarom gegrond verklaard. Ook het besluit waarmee de gemeente zijn bezwaar afwees, is van tafel. Het college van burgemeester en wethouders moet een nieuw besluit nemen en daarbij de inhoudelijke bezwaren van de inwoner tegen het bevel behandelen. De gemeente moet daarnaast ruim 3.800 euro aan proceskosten en 463 euro aan griffierecht vergoeden.
