Op 15 augustus is het 81 jaar geleden dat het Japanse keizerrijk capituleerde en er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. Vanaf komende dinsdag wordt er bij het onderwerp stilgestaan door middel van een meerdaagse expositie in de Martinikerk, waar Indische en Molukse Groningers hun verhaal vertellen. Ruimtelijk ontwerper Egbert Pikkemaat heeft de tentoonstelling samengesteld.
Egbert, het gaat om een hele bijzondere editie van de activiteiten en de herdenking die komende week plaatsvindt, hè?
“Dat klopt. Het is namelijk de eerste keer dat we als zelfstandige stichting de herdenking organiseren. Eigenlijk is het allemaal begonnen in 2022. Toen heb ik voor het eerst een expositie samengesteld in het Floreshuis, maar toen was er nog geen sprake van een officiële herdenking. Een jaar later volgde de eerste officiële editie en dit jaar zitten we nu voor het derde jaar op rij in de Martinikerk. En dat we nu alles zelf doen: dat is spannend. De afgelopen jaren werden we ondersteund door de gemeente. Zij wisten zaken heel effectief aan te pakken. Er hoefde bij wijze van spreken maar een bureaustoel omgekeerd te worden om iets bij een collega te verifiëren. Nu staan we er zelf voor.”
Dat jullie zelf een stichting beginnen, brengt natuurlijk veel werkzaamheden met zich mee. Hoe gaat dat?
“Het begint met het zoeken van mensen die zo’n bestuursfunctie kunnen bekleden. En dat ging niet van een leien dakje. Er zijn wat mensen vertrokken. Andere mensen die zich aangemeld hadden, bleken de functie toch wat onderschat te hebben. Maar uiteindelijk meldde zich vorig jaar iemand die de expositie bezocht. Diegene vroeg of wij ook nog mensen zochten. Diegene was met pensioen en had wel tijd. Zij had van huis uit weliswaar geen Indische roots, maar de band met het onderwerp was kort daarvoor op een hele bijzondere manier ontstaan. Tijdens de vorige herdenking zong zij namelijk met haar koor een lied dat destijds ook in de Japanse vrouwenkampen werd gezongen. Dat maakte zo’n diepe indruk dat ze betrokken wilde raken. En omdat ze net met pensioen was én veel ervaring had met organiseren, haalden we daarmee echt een lot uit de loterij binnen. De wens die nu nog op tafel ligt, is om ook iemand uit de Molukse gemeenschap in ons bestuur te krijgen. Dat blijkt alleen lastig te realiseren.”
Hoe komt dat?
“Als je het over Nederlands-Indië hebt, dan heb je het over verschillende groepen die allemaal hun eigen geschiedenis hebben. Naast de Molukkers heb je het bijvoorbeeld over de Indo’s en de Hollanders. Deze groep ging over het algemeen als eerste terug naar Nederland omdat velen na de oorlog door ontberingen en verlies van familieleden geen binding meer hadden met Indië. Maar Indië was nog steeds een Nederlandse kolonie, dus in principe kon men blijven. Iets dat de Nederlandse regering ook officieel promootte. De Indo’s waren van gemengde voorouders, hadden Nederlandse achternamen en voelden zich ook Nederlanders, maar stonden wat lager in het toenmalige klassenstelsel. Ze hadden een sterke band met Indië vanwege de vele generaties die al in Indië hadden gewoond. Zij werden door de inlandse bevolking gezien als verraders nadat Soekarno de onafhankelijkheid had uitgeroepen omdat de meesten loyaal bleven aan de Nederlandse regering. Toen de onafhankelijkheid een feit was, konden zij kiezen: of een Indonesische achternaam aannemen en zich aanpassen aan de nieuwe situatie, of naar Nederland vluchten. De Molukkers kwamen later, en zij kwamen met het idee dat hun verblijf tijdelijk zou zijn, met het oprichten van een eigen staat als ultiem doel.”
Tekst gaat verder onder de foto’s:


Zijn zij op een hele andere manier geïntegreerd?
“Er is heel lang gewacht met integreren. De Nederlandse regering heeft dat destijds niet goed aangevoeld. Molukkers kregen aparte wijken, kregen hun eigen school, kerk en ontmoetingscentrum. Alles met als doel om deze groep terug te laten keren. Terwijl iedereen had kunnen weten dat de regering die belofte nooit waar zou kunnen maken. In de Molukse cultuur heeft een belofte veel waarde. Uiteindelijk is dat omgeven door een enorme frustratie richting de overheid. En waarom het minder goed past bij de herdenking: voor de Molukkers is de oorlog op 15 augustus niet gestopt. Die datum is geen mijlpaal voor hen. En dat brengt ons in een lastige situatie. Wij willen namelijk een herdenking organiseren waarbij iedereen zich gehoord voelt. Maar doordat er geen Molukse inbreng is, kunnen we dat geluid er niet goed in verweven. Wij hebben die specifieke kennis simpelweg niet. Terwijl er wel de kritiek is dat zij zich niet aangetrokken voelen tot onze herdenking, omdat hun verhaal niet goed aan de orde komt. Dus dat zou echt een wens zijn: dat er Molukkers opstaan die in het bestuur willen gaan zitten.”
Komende dinsdag is de expositie in de Martinikerk voor het eerst te bezichtigen. Dat betekent dat er waarschijnlijk hard gewerkt wordt?
“Dat klopt. Ik heb voor de expositie een ingenieus systeem ontworpen van in elkaar grijpende kartonnen delen waarop de verhalen getoond worden. Morgen begint de opbouw. Omdat de gemeente dit jaar niet meewerkt, is het dit keer wel puzzelen hoe we het logistiek aanpakken. We hebben een aanhanger gehuurd om daarmee alle delen naar de Martinikerk te verplaatsen. Hierdoor duurt het wat langer, maar ik heb er alle vertrouwen in dat het goed komt.”
Er zijn voor deze editie ook weer nieuwe verhalen aan de expositie toegevoegd…
“Wat de expositie doet, is het vertellen van verhalen van Molukse en Indische Groningers. En nog altijd dienen zich nieuwe verhalen aan. Voor het eerst zal namelijk het verhaal van Sipke de Wit te zien zijn. Sipke, die Sip werd genoemd, komt uit een communistisch gezin. Hij is later politicus geworden voor de CPN. Na de Tweede Wereldoorlog weigerde hij echter dienst te nemen en uitgezonden te worden naar Indonesië.. Wat was het gevolg? Gevangenisstraf. Bij de bevrijding van Zuid-Nederland was er een oorlogskabinet ingesteld. Dit kabinet bleef zitten tot 25 juni 1945, toen het kabinet Schermerhorn-Drees aantrad. Maar in die tijd vond Den Haag het heel belangrijk dat Indonesië een kolonie zou blijven. Niet voor niets was er de slogan ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Men had Indië nodig vanwege de inkomsten: waar moesten anders al die sociale wetten van betaald worden?”
Dus iedereen was nodig in Indië?
“Precies. Maar De Wit zag dit absoluut niet zitten. Hij besloot onder te duiken, werd daarna verraden en berecht. Hij moest 3,5 jaar in de cel in Veenhuizen slijten, waar hij tussen NSDAP’ers, NSB’ers en SS’ers kwam te zitten, die op hun beurt vaak nog sneller vrij kwamen dan De Wit zelf. En je zou verwachten dat de CPN hem te hulp zou schieten. Maar in die tijd was dat een hele grote partij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog opereerden ze in de illegaliteit, en ineens lonkte daar het landsbestuur. Wat doe je dan? Dan ga je als partij niet moeilijk doen, want als je dat wel doet, word je wellicht niet geaccepteerd. Dus toen andere partijen ermee instemden om troepen naar Indië te sturen, keek de CPN de andere kant op. Ze waren bang om tot het uiterste te gaan. Maar wat erger was: van juridische hulp bij het proces van de weigeraars door de CPN was geen sprake. De Wit en zijn hele familie waren al jarenlang lid van de CPN. En hoe verkocht men deze standpunten aan de leden? Wel, door te zeggen: als je gaat, heb je de mogelijkheid om daar het communisme te verspreiden.”
Tekst gaat verder onder de foto’s:


De verhalen die gepresenteerd worden, zijn op panelen te zien, toch?
“Dat klopt. Naast het verhaal van De Wit zijn er nog twee nieuwe verhalen aan toegevoegd. Het gaat om vijf extra panelen. En dat roept wel gelijk weer een vraag op: kan dit allemaal nog wel een plek krijgen in de Martinikerk? Wordt het niet te groot? Of is het beter om er een aantal verhalen uit te halen? Hier ben ik nog over aan het dubben, en ik merk dat ik deze beslissing ook wat voor mij uit aan het schuiven ben.”
Verwacht je de komende dagen veel belangstelling?
“Dat weet ik niet. Dat is moeilijk te zeggen. Komende zaterdag vindt de officiële herdenking plaats. Dat is ook de laatste dag van de expositie. De afgelopen jaren liep de expositie altijd nog een dag door en vaak was die laatste dag ook de drukste dag. Vorig jaar ging het bijvoorbeeld om vijfhonderd bezoekers. Dus dat is spannend: hoe pakt het uit en komen de mensen die vorig jaar zijn geweest opnieuw langs? Aan de andere kant: het lijkt de komende dagen opnieuw warm te worden. Vertoeven in een koele kerk is dan wel echt een cadeautje, dus ik ben heel benieuwd.”
In 2022 spraken we jou voor het eerst. Het grootste verschil met toen is dat er nu veel meer gesproken wordt over dit deel van de Nederlandse geschiedenis. Is dat goed nieuws?
“Absoluut. Denk ook aan de excuses die zijn aangeboden door premier Rob Jetten aan de Molukse gemeenschap. Daarnaast ben ik het met je eens: de documentaires die verschenen zijn, de aandacht aan talkshowtafels, kunstenaars, de monumenten die zijn opgericht… Het is heel goed dat er over wordt gesproken en dat er aandacht voor is. Onbekend maakt onbemind, en gelukkig is dat op dit vlak niet meer aan de orde.”
Is de aanwezige kennis bij het publiek ook toegenomen?
“Op dat vlak ben ik minder positief. Er zal in geschiedenislessen gerust aandacht voor het onderwerp zijn, maar het onderwijs is tegenwoordig een soort afvinklijst geworden waarin bezieling ontbreekt. Tegenwoordig is er veel aandacht voor sport, maar cultuurvakken zoals kunst, muziek en poëzie zijn verdwenen. Ook geschiedenis staat onder druk. De belangstelling voor het onderwerp is beperkt en dat is jammer.”
Nu ben jij zelf een hele goede verteller én heb je in de Martinikerk de komende dagen een mooie expositie staan. Is het niet een idee om zelf die handschoen op te pakken? Niet vanuit scholen georganiseerd, maar dat kinderen en tieners zichzelf kunnen aanmelden om hier verdieping in te krijgen?
“Dat is het grote voordeel van het feit dat we nu een zelfstandige stichting zijn: we kunnen nu ook zelf subsidies aanvragen. En ik ben het eigenlijk helemaal met je eens. Het herdenken blijft het belangrijkste onderdeel van wat wij willen, maar educatie is daarin minstens zo belangrijk. Je moet immers weten wáárom we stilstaan bij 15 augustus. Zelf die handschoen oppakken, door bijvoorbeeld op een van de expositiedagen een toegankelijke vorm aan te bieden die speciaal gericht is op kinderen, zou hierin een heel mooi onderdeel kunnen zijn. Ik vind het een hele mooie gedachte!”
De expositie in de Martinikerk is van dinsdag tot en met vrijdag van 11.00 tot 17.00 uur te bezoeken. Op zaterdag zijn de deuren geopend van 11.00 tot 14.00 uur.
