De 21-jarige man die in februari vorig jaar met een keukenmes instak op zijn moeder in een flat aan de Van Houtenlaan, is maandag veroordeeld tot 24 maanden cel waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarbij paste de rechtbank onwelwillend en tegen het advies van deskundigen het volwassenenstrafrecht toe, omdat er geen geschikte behandelplek in een jeugdkliniek beschikbaar is.
De man (toen nog 19 jaar oud) kreeg op 4 februari vorig jaar ruzie met zijn moeder. Daarna pakte hij een keukenmes en rende achter haar aan, terwijl ze via het trappenhuis probeerde te vluchten. Tijdens die achtervolging stak hij haar in de rug en onder haar oksel. De vrouw wist uiteindelijk een woning van een buurman binnen te vluchten en belde daar de politie en ambulance.
Uit onderzoek blijkt dat de verdachte meerdere ernstige psychische stoornissen heeft (een schizofreniforme stoornis, depressie, PTSS en problemen met alcohol en cannabis) en daarnaast zwakbegaafd is. De jongeman verklaarde dan ook dat hij zijn moeder wilde doden, in opdracht van stemmen in zijn hoofd.
Daarom is het feit volgens de rechtbank in sterk verminderde mate aan hem toe te rekenen. De deskundigen adviseerden om het jeugdstrafrecht toe te passen, zodat de verdachte in een passende kliniek behandeld kon worden. Ook de reclassering en de advocaat vonden dat de beste oplossing.
‘Onacceptabele maatschappelijke ontwikkeling’
Maar de rechtbank besloot daar uiteindelijk toch van af te wijken. Volgens de rechters is maandenlang gezocht naar een geschikte behandelplek binnen het jeugdstrafrecht, maar zonder resultaat. Een voorkeurskliniek viel af door problemen met de financiering en andere instellingen konden of wilden de verdachte niet opnemen. Daarom zag de rechtbank geen andere reële mogelijkheid dan het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ook is de straf hoger dan normaal, zodat de jongen niet weer op straat terechtkomt voordat de behandeling begint.
De rechter uitte zich dan ook opvallend kritisch. Volgens de rechtbank zou de keuze tussen jeugd- en volwassenenstrafrecht moeten afhangen van wat het beste is voor de verdachte, en niet van het tekort aan behandelplekken: “De rechtbank acht dat zeer kwalijk en ziet dit als het pijnlijke gevolg van een vastgelopen strafrechtketen, in dit geval door het grote tekort aan beschikbare behandelplekken. De rechtbank acht dit een onacceptabele maatschappelijke ontwikkeling.”
Desalniettemin moet de jongen wel de gevangenis voor volwassenen in, in afwachting van een behandeling in de gekozen kliniek. En of daar plek is als hij zijn straf heeft uitgezeten, is volgens de rechtbank nog maar de vraag. Daarmee is ook de toepassing van het volwassenenstrafrecht geen wondermiddel, beaamt de rechtbank:
“De kliniek van voorkeur blijkt, anders dan voorheen, slechts bereid tot het inplannen van een intakegesprek na het vonnis. Dat betekent dat de rechtbank bij het bepalen van de straf geen zekerheid heeft over het vervolgtraject, terwijl in dit geval juist zekerheid over een spoedige klinische behandeling in het belang van verdachte en de samenleving noodzakelijk is. Als hij na de intake wordt geaccepteerd, zal hij nog enkele maanden op een wachtlijst staan voordat tot behandeling overgegaan kan worden.”
