Het is enorm belangrijk dat jongeren kunnen meepraten in de politiek. Dat zeggen de VVD en de Partij voor het Noorden naar aanleiding van de debatwedstrijd ‘De Stem van Jong Nederland’, waarvan de regionale voorronde afgelopen vrijdag plaatsvond in het Provinciehuis.
De Stem van Jong Nederland komt voort uit de bekende wedstrijd ‘Op weg naar Het Lagerhuis’. Landelijk doen er zo’n tweehonderd middelbare scholen aan mee. Via regionale voorrondes plaatsen zij zich voor een landelijke ronde, waarna op 11 april de finale wordt gehouden in Rotterdam. De voorronde in Groningen werd gehouden in het Provinciehuis, waar Ietje Jacobs-Setz (VVD), Maria Martinez Doubiani (D66) en Dries Zwart (Partij voor het Noorden) de deelnemers beoordeelden.
Feedback
“Het was heel leuk”, vertelt Jacobs-Setz. “Er deden vijf scholen mee. Dat zijn er misschien wat weinig, maar weinig scholen hebben debatclubs. Drie van de scholen kwamen uit de gemeente, de andere twee uit Leek en Veendam. Wat me opgevallen is, is dat er fantastisch en bevlogen gedebatteerd is. De deelnemers waren overduidelijk geïnteresseerd. Wij als jury geven punten, maar we hebben ook de mogelijkheid om feedback te geven. Verschillende deelnemers pakten dit heel goed op: ze pasten de feedback direct bij de volgende ronde toe.”
Toch had de VVD-politica ook een kritische noot: “Het was allemaal wel heel serieus. Ik houd als politica van een kwinkslag, wat humor, terwijl ik ondertussen ook serieus ben. Dat hadden deze deelnemers niet. In de basis hoef je geen trucjes toe te passen om een boodschap over te brengen. Er was bijvoorbeeld een deelnemer die heel hard praatte. Ja, sorry, maar dan luister ik niet meer. Dat werkt niet, dat schrikt af. Je moet de toehoorders echt aan je binden.”
Tekst gaat verder onder de foto:

Naar Hilversum?
Ook Dries Zwart heeft genoten: “Dit was de vijfde keer dat ik hierbij betrokken was en ik vind het elke keer ontzettend leuk om te doen. Dit was de voorronde, maar ik zou ook wel een bijdrage willen leveren aan een landelijke ronde. Ik heb daar ook naar gehengeld; ik zou het geen probleem vinden om een keer naar Hilversum te rijden.”
Zwart ziet de wedstrijd als een belangrijke aanvulling op het onderwijs. “Het is heel waardevol om jongeren bij de politiek te betrekken. In die zin is het dan wel jammer dat er maar vijf scholen meedoen. Als ik naar mijn eigen schoolloopbaan keek: ik had Staatsinrichting en Maatschappijleer, maar deze vakken zijn er niet meer. Veel jongeren weten niet hoe de politiek werkt. Dat er nog scholen deelnemen, is te danken aan bevlogen leraren die zich hiervoor inzetten, die jongeren enthousiasmeren.”
Geen ‘moetje’
Jacobs-Setz noemt het betrekken van jongeren essentieel. “In het Stadhuis hebben we vrij regelmatig bezoek van schoolklassen waarmee we het ProDemos-spel spelen. Via een spel leg je uit hoe de gemeentepolitiek werkt, altijd in aanwezigheid van raadsleden. Er komen basisscholen langs, maar ook middelbare scholen en mbo- en hbo-groepen. Uiteraard bied je groep 7 van de basisschool een ander spel aan dan hbo-studenten, maar de insteek is hetzelfde. Bij zulke bezoeken zie je dat het voor een deel van de leerlingen een ‘moetje’ is. Bij een debatclub is dat anders; die leerlingen hebben er zelf voor gekozen, vaak buiten schooltijd om. De passie grossiert.”
Grijs- en kaalkoppen
Volgens Zwart zouden jongeren ook een grotere rol moeten krijgen. “Wat ik zo jammer vind, is dat je na zo’n wedstrijd niks meer van deze jongeren hoort. Wat zou het mooi zijn als iemand zegt: ik sluit me aan bij een partij. In de politiek moet het niet zo zijn dat een groep grijs- en kaalkoppen bepaalt hoe Groningen er over dertig jaar uit moet zien. Jongeren moeten hier zelf een rol in hebben.”
Tijdens de wedstrijd ging een politicus aan het einde in debat met de vier beste debaters over de stelling: ‘De stem van de jeugd moet zwaarder tellen bij de verkiezingen’. Zwart: “Het verzoek aan mij was om ‘nee’ te zeggen, en zo sta ik er ook in. Ik vind dat iedereen zijn stem even hard mee moet tellen. Anders krijg je ruzie. Bij een debat over het Van Starkenborghkanaal geef je schippers ook niet een hogere stemwaarde, en bij de pensioenen tel je de stem van een AOW’er ook niet twee keer. Maar wat wel kan, is dat je jongeren die lid zijn van je partij echt mee laat praten.”
Jongerenraad?
Zwart bedoelt daarmee geen aparte jongerenpartij, maar echte fractieleden. “Ik ben heel blij dat wij iemand van 25 in onze fractie hebben. Discussies in de partij doen mij soms van standpunt veranderen; dat maakt je rijk om een goede beslissing te kunnen nemen. Ik heb ook een opiniestuk geschreven waarin ik stelde dat 16- en 17-jarigen zouden moeten kunnen stemmen, zoals in België en Duitsland.”
Over een speciale jongerenraad, zoals die in veel gemeenten bestaat, is Jacobs-Setz duidelijk: “Van zulke instituten ben ik geen fan. We hebben de kinderburgemeester al geïnitieerd en we hebben wijkraden, zoals de Stem van Haren. Maar wie vertegenwoordigen zij precies? Dat zie ik ook bij jongerenraden. Dan zetten we tien jongeren in zo’n raad en gaan zij vertellen wat ‘de’ jongeren willen? Ondertussen hebben we een ontzettend jonge gemeenteraad; de helft is nog een jongere. Die stem wordt dus gehoord. Bovendien kost het initiëren van dit alles geld. Als we als raad iets willen ophalen en de jongerenraad heeft toevallig een proefwerkweek, dan schiet het niet op. Wij zijn als raadsleden prima in staat die informatie zelf op te halen.”
Zwart voegt toe dat een jongerenraad geen mandaat heeft: “Er is maar één raad, de gemeenteraad of de Provinciale Staten. Een jongerenraad heeft die positie niet. Ik woon in Appingedam en daar hebben we ook een jongerenraad; het is leerzaam, maar ik heb liever dat jongeren actief worden binnen partijen. Dat ze vanuit de partij meedenken en meepraten. Bij ons staat de deur in ieder geval wagenwijd open.”

