De politie – van Grote Markt naar Martinikerkhof en Rademarkt – Beno’s Stad 22 (17-2-1999)

Een Beno’s Stad over de geschiedenis van de Groningse politie. In deze aflevering heeft Beno Hofman het o.a. over de eerste betaalde schout Johan Hoedt en de eerste commissaris Van Wartum. Verder over het uniformenplan van burgemeester Slot, de verschillende hoofd- en hulpbureaus en politieposthuisjes. Beno bezoekt het wijkbureau aan de Zaagmuldersweg en het hoofdbureau van 1972 aan de Rademarkt.

► Beschrijving
De politie is in het nieuws.
Bijna was ze in staking geweest en sinds kort heeft Groningen een nieuwe hoofdcommissaris.
Redenen genoeg om deze week eens naar de geschiedenis van de Groningse politie te kijken.

De hoofdcommissaris van politie heette vroeger schout.
Vanaf ongeveer 1400 hadden alle Nederlandse steden waarschijnlijk zo’n ordehandhaver.
De Groningse schout mocht verdachte panden zonder toestemming van de bewoner binnengaan en daarbij zonodig de deuren en vensters ingooien.
Door het stadsbestuur werd de schout niet betaald.
Maar hij mocht wel een deel van de door hem opgelegde boetes houden.
De eerste schout met een salaris was in 1587 Johan Hoedt.
In zijn instructie stond onder meer dat hij boese, onnutte honden moest verjagen en voorkomen dat stadjers varkenshokken op straat zetten.

Het Groningse politiekorps dat de eerste eeuwen maar uit een paar man bestond hoefde ‘s nachts niet te werken.
Dan werd de orde gehandhaafd door enkele nachtwakers.
Vanaf 1681 waren zij voorzien van een ratel.
Ze maakten vaste rondes door de stad waarbij ze op alle hoeken en in het midden van de straten ratelden.

Één van deze ratelaars, ene Doede Lievens, had in 1779 een bijverdienste die het stadsbestuur niet zo zag zitten.
Hij woonde in de Veulsgang, een straatje dat hier liep op de plaats van het huidige hoofdbureau.
In zijn huis kwamen bij nacht en ongelegen tijden mannen en vrouwen om met elkander vleselijke gemeenschap te bedrijven.
Toen het stadsbestuur hier achter kwam werd Lievens ontslagen en uit stad en provincie verbannen.

Toen Napoleon het even voor het zeggen had in Nederland werd de politie gereorganiseerd.
Een schout heette voortaan commissaris en zijn dienaren werden nu agenten genoemd.
In Groningen werd Petrus Rosier van Wartum in 1813 commissaris.

Hij was de populairste commissaris die Groningen ooit had.
Hoewel zijn populariteit waarschijnlijk meer te maken had met de manier waarop hij aan zijn einde kwam dan met zijn beleid.
Toen op 8 maart 1822 de bliksem in de Martinitoren sloeg stond hij aan de voet ervan het publiek op afstand te houden.

Maar helaas, zelf hield Van Wartum wat te weinig afstand en hij kreeg een stuk Martinitoren op zijn hoofd.
De politie werd van tijd tot tijd in nieuwe uniformen gestoken.
Dat gebeurde onder meer in de vorige eeuw toen de niet zo snuggere Jan Slot burgemeester van Groningen was.
Omdat je agenten eerste, tweede, derde en vierde klas had, leek het hem een goed idee dat je aan de uniformen kon zien met wat voor agent je te doen had.
Hij besloot dat agenten eerste klas één streep kregen, agenten tweede klas twee strepen, enzovoort.
Hoe logisch dit ook klonk, de praktijk wees anders uit.
Omdat agenten met de laagste rang normaal de minste strepen hadden werden agenten eerste klas met één streep nu aangezien voor agenten met de laagste rang.
En dat vonden ze natuurlijk niet zo leuk.
Slot zijn bedenksel had dan ook maar een kort leven.
En dat zelfde gold voor de carrière van Slot.
De Groningers hadden toch liever een iets snuggere burgemeester.

Het politiebureau was tot het begin van deze eeuw in het stadhuis gevestigd.
Vanwege de groei van de stad naar het zuiden werd in 1875 aan de Mauritsstraat een hulpbureau gebouwd.
De agenten van dit hulpbureau hadden het hele gebied ten zuiden van het Verbindingskanaal als werkterrein.
Vooral het Hoofdstation en de Veemarkt bezorgden hen werk.
Zo moesten zij elke trein die aankwam of vertrok registreren.
Het hoofd van het bureau, een majoor, vond zijn bureau dan ook zo belangrijk dat hij niet sprak van hulpbureau maar van zuider hoofdbureau.

Door de groei van het politiekorps had het hoofdbureau uiteindelijk de hele benedenverdieping van het stadhuis in gebruik.
De agenten gingen meestal het stadhuis in en uit door de achterdeur.
Commissaris Doyer vond zo’n achteringang uit strategische overwegingen erg belangrijk.
Hij dacht hierbij aan zijn Rotterdamse collega die in 1868 bijna was gelyncht door het gepeupel omdat hij niet zo’n ontsnappingsmogelijkheid had.

Toen het stadhuis te klein was geworden voor de politie en er een nieuw hoofdbureau moest worden gebouwd vond Doyer zo’n achteringang dan ook erg belangrijk.

Het nieuwe hoofdbureau van politie werd in 1905 gebouwd aan het Martinikerkhof.
De blijdschap was groot maar dat was snel over.
Doordat het politiekorps bleef groeien was er namelijk al gauw weer ruimtegebrek.
In 1903 werd er aan de Moesstraat een tweede hulpbureau geopend.
In de jaren twintig verspreidde de politie zich nog meer over de stad.

Aan de A-weg kwam nog een hulpbureau en een aannemer bouwde in 1922 politieposthuisjes aan de Korreweg, de Friesestraatweg, het Damsterdiep, de Meeuwerderweg en in de Hoogte.
En een aantal jaren later nam de politie aan de Ubbo Emmiusstraat en de Verlengde Hereweg ook nog een paar hulpbureau’s in gebruik.
Omdat de politieposthuisjes wel erg klein waren werden ze in 1931 alweer buiten gebruik gesteld.
De Oosterparkwijk had toen ter vervanging van het posthuisje aan het Damsterdiep inmiddels een echt politiebureau.
Hier op de hoek van de Zaagmuldersweg en de Hortensialaan.
Het is ontworpen door Siep Bouma, de bekende Groninger ontwerper.

Tot 1966 had de politie wijkposten.
Maar omdat de leiding vond dat er te weinig agenten waren voor alle posten werden ze gesloten.
Het bureau aan de Ubbo Emmiusstraat was in 1951 de eerste.
In 1963 volgden de A-weg en de Moesstraat.
En drie jaar later waren de Verlengde Hereweg, de Mauritsstraat en dit bureau aan de Zaagmuldersweg de laatsten die dicht gingen.
Nu is hier een architectenbureau gevestigd maar deze kastjes zijn nog uit de tijd van het politiebureau en daarachter waren de cellen en dit raam was speciaal gemaakt om zicht te hebben op die cellen.

Maar de inzichten van de politie veranderen nog weleens.
Daarom zijn er sinds 1988 weer wijkbureaus.
Het hoofdbureau van politie is sinds 1972 hier aan de Rademarkt gevestigd.
Een paar jaar geleden werd het helemaal verbouwd en nu is er dus sinds kort een nieuwe hoofdcommissaris.
Waarom moest de vorige ook alweer aftreden?
Ben ik even kwijt.
Mijnheer Hofman komt u maar even mee.
Draait u zich maar even om
Komt u maar.

Deel dit artikel: